Het dagboek

Februari 2000

De consolidering begint

Een zweefvlucht

Op een kraakheldere late winterdag staat een king-size takelwagen klaar om ecoloog Henk Hillegers en bouwhistoricus Coen Eggen een zweefvlucht over de ruïne te bezorgen. Doel is het vaststellen van eventueel aanwezige ecologische waardes en de algemene bouwhistorische toestand. Er worden hoegenaamd geen belangwekkende zaken vastgesteld op groengebied. De bouwhistorie komt na het ontgroenen van de muren aan bod.

Een ruïnelandschap

Vanuit het bakje, hoog aan de takel, ontvouwt zich een panorama van een echt ruïnelandschap: woeste muurresten, rondslingerend gesteente en veel onbeheerst groen. Dat levert een dubbel gevoel op, immers: het consolideren van de ruïne is een bijna tegenstrijdige handeling, die het einde betekent van het proces van verval, dat nou net typerend is voor een ruïne.

Verrassingen

Tussen de weelderige klimop duiken her en der verrassingen op, zoals dit rozet op een raam, dat sinds de brand van 1930 de tijd en het weer heeft doorstaan.

Maart 2000

De linkertoren wordt zichtbaar

Schoorsteenresten

De linkertoren is grotendeels schoon, dat wil zeggen dat alle begroeiing er vanaf is, zowel binnen als buiten. Daardoor zijn bijvoorbeeld de restanten van de schoorstenen goed te zien. Die zijn heel interessant, omdat zij de bouwsporen dragen van veschillende bouwfases. Logisch, want niets zo onderhevig aan modeverschijnselen als een haard. Twee aardige details: het stookvloertje uit een van die fases bestaat uit in motief gelegde kopse leitjes. Minstens zo aardig is het stucwerk op de schoorsteenboezem, dat uitgevoerd is in cement. Daarmee is het een vroeg voorbeeld van cementstuc.

Het toilet

In diezelfde toren zijn in de muur enkele wc’s uitgehakt. Onderling zijn die verbonden door een verticaal kanaal, dat uitmondt in de vroegere gracht. Op de begane grond ligt zelfs de plank met het gat nog, boven is de wc minder herkenbaar.

Een raamkozijn

Welstand is mooi, maar het moet wel betaalbaar blijven. Voeg daarbij een logische en redelijke soberheid, en het hergebruik van allerlei materialen ligt voor de hand. Dat is in het kasteel ook het geval, zoals fraai geillustreerd wordt aan de hand van zo’n raamkozijn in hardsteen. Duidelijk is te zien dat verschillende stenen een ander oppervlak hebben, die verwijzen naar verschillende ontstaanstijden. Ook is te zien dat de diefijzers gezelschap hadden van een luik. De duimen zijn er niet meer, maar wel de plaats waar ze zaten.

Het muurwerk en de ramen

17e Eeuws vakmanschap

Nu de klimop weg is valt op hoe goed het muurwerk zich gehouden heeft in al die jaren. Wat verder verwondert is het feit dat de hoekblokken van mergel zo mooi aansluiten op het muurwerk. Dat is het gevolg van een onzichtbare verankering.
Dat soort zorgvuldigheid staat haaks op de manier waarop bij een moderniseringscampagne rond 1800, of begin 19de eeuw, de oude ramen verwijderd zijn en vervangen door grotere hardstenen kozijnen, die dan grotendeels weer zijn opgebouwd uit herbruikt materiaal. Gelet op gehengduimpjes die op de kop zitten lijkt het logisch dat de hardsteen van de oude ramen gebruikt is voor de nieuwe, met inbegrip van zo’n slordigheidje.

Dat de manier waarop die ramen zijn ingebroken in feite de aanzet vormde voor een verticale sleuf is goed te zien in de rechter toren. Daar is zo’n hele partij ramen, met de tussenliggende stukken metselwerk, er uit gevallen. Een wonder dat de muren er nog staan.

‘Licht destructief onderzoek’ gelukkig niet nodig

Een prettige bijkomstigheid van het lang bloot staan aan weer en wind is dat de bouwhistoricus niet hoeft over te gaan tot ‘licht destructief onderzoek’: de elementen hebben het stucwerk er al af gehaald. Daardoor is goed te zien dat de aanblik van het kasteel zoals we het kennen uit prenten en foto’s, en waarvan de bestaande resten een weergave zijn, oorspronkelijk anders was.
Waarschijnlijk laat het kasteel zich enigszins vergelijken met kasteel Limbricht, althans wat betreft de vorm en de maat van de ramen. Waarschijnlijk zijn er zijn nog wel meer vergelijkingsmogelijkheden, maar die moeten we de komende tijd op een rij zetten.
Het schijnt dat er in (of dichtbij) de Duitse stad Julich zelfs nog een kasteel van dezelfde bouwheer, Jan Arnoldt de Leerodt, staat. Dat zal ook nog onderzocht moeten worden.
Hoe het ook zij, de muren vertellen een verhaal van hoge smalle ramen in tijden dat de verlichting nog bestond uit kaarsjes en olielampjes. En die kon je dan neerzetten in nisjes zoals dat tussen de twee ramen te zien is.

Het kasteel vertelt zijn eigen verhaal

De voorkant achter (en andersom natuurlijk)

Nu alle groen is verwijderd begint zich een leesbaar restant van een gebouw af te tekenen. Natuurlijk zijn er de oude prenten en foto’s, die al het nodige vertellen, maar daar moet altijd rekening worden gehouden met een meer of minder vrije interpretatie van de werkelijkheid. (Berucht zijn de prenten van Van Gulpen, die niet alleen vaak ouder materiaal kopieerde, waardoor je met een datering de mist in kunt gaan, maar bovendien vaak slordig was. Daarnaast had hij van perspectief maar een klein blokje kaas gegeten.)
Daarom is toch altijd prettig om het kasteel zijn eigen geschiedenis te laten vertellen.

Kasteel Born in de Codex Welser

De afbeelding uit de Codex Welser uit 1723 lijkt echter redelijk betrouwbaar. Ook al is de afbeelding redelijk schematisch, hij zou best wel eens een sleutelrol kunnen gaan spelen, onder andere voor de virtuele reconstructies die van het kasteel gemaakt gaan worden.
Kijken we namelijk naar de opbouw van het hele complex, dan zien we daar aan beide zijden van het kasteel voorburchten. Beiden zijn door middel van een brug verbonden met het centraal gelegen kasteel. Voorlopig is mijn hypothese dat er op het eiland waar de latere, nu verdwenen achterburcht lag, een ouder slot gelegen heeft. Bijgevolg had het kasteel dat De Leerodt tussen 1662 en 1666 bouwde zijn front aan wat nu de achterkant is. Achter het kasteel, op de huidige binnenplaats tussen kasteel en gemeentehuis lag dan hoogstens een of ander bijgebouwtje.
Toen de oude voorburcht rond 1800 vervangen werd door de versterkte boerderij waarin nu het Gemeentehuis gevestigd, is de entree van het kasteel verlegd naar de voormalige achterkant. Wat daar verder voor pleit is het gegeven dat de gehele entreegevel tussen de twee torens toen nieuw gemetseld is.
Waar ik nog niet uit ben, omdat dat detail-waarnemingen vergt die ik pas kan doen als de steigers me zo hoog kunnen brengen, zijn de versieringen in de gevels en de torens. Overal waar nu lichtgekleurde delen in het metselwerk zitten zaten tot rond 1900 nissen en festoenen van mergel. Een versieringsconcept dat sterk doet denken aan dat van de nog uitbundiger Michielskerk in Sittard, of de Augustijnenkerk in Maastricht. En die zijn uit dezelfde tijd als het oorspronkelijke herbouwde kasteel.
Omdat die sporen ook in de herbouwde gevel van rond 1800 zitten roept dat vraagtekens op. Niet uitgesloten is dat de mergelversieringen toen herplaatst zijn. Maar daar komen we later wel achter.

April 2000

De opschoning van de binnenkant van de ruïne

De kelders

Voor het opschonen van de binnenkant van de ruïne is aanvankelijk gekozen voor handmatig uitgraven. Dat is een beestenklus, die met schep en pikhouwel moet gebeuren, en gemakkelijk leidt tot schade aan eventuele vondsten. Al snel valt daarom de beslissing, ook terwille van de snelheid, een of meer minigravers te laten komen. Dat heeft resultaat, ook en met name in de vroegere drankkelder, waar hele ritsen gave flessen uitkomen, die overigens allemaal van rond 1900 dateren. Al met al zijn de vondsten die gedaan worden niet bijster spectaculair. Wat we eigenlijk al wisten wordt bewezen: na de brand is er, jarenlang, alle gelegenheid geweest om de zaak leeg te halen. Wat niet echt verbrand was, of deerlijk beschadigd, is weg. Wat gelukkig wel nog te voorschijn komt is de indeling van de kelders, en ook dat is een verhaal dat een eigen leven kent. Opmerkelijk is het ontbreken van duidelijk ouder muurwerk enerzijds, en de karige wijze van bouwen anderzijds.

Meerdere bouwfasen

Wel is goed te zien welke nissen uit de eerste, en welke uit latere bouwfases stammen. Die uit fase één hebben veelal het karakter van een schietsleuf met achterliggende nis, waarvan in een geval veel later een wc gemaakt is.
De nissen en het omringende muurwerk geven ook aan dat de kelders grotendeels gedekt waren met gewelven tussen gordelbogen, maar hier en daar ook uit een houten balklaag bestonden.

De gracht als riolering

Bij het uitgraven van het buitenterrein achter de linker toren, waar die een hoek maakt met de zijmuur komt de uitvoer van de al eerder genoemde wc’s te voorschijn. Zelfs twee boven elkaar, waarbij die tweede is gemaakt op een moment waarop de gracht al zo ver was dichtgeslibt dat de afvoer van de wc zijn lading niet meer kwijt kon. Overigens bewijst dit ten overvloede dat het kasteel oorspronkelijk met zijn muren uit het water oprees.

De rechtertoren

We zijn nog een keer opgehesen om de muren vanuit de lucht te inspecteren. Daardoor krijg je een beter beeld van de schoorsteenpartij in de rechtertoren, waar eens te meer blijkt hoe de diverse moderniseringsstadia gezorgd hebben voor een opeenvolgende reeks aanpassingen. Vooralsnog geen haardstenen of resten van tegeltjes.

Versieringen

Het restant van een van de festoenen dat in de muur is achtergebleven wordt aan een nadere blik onderworpen. Het lijkt er toch sterk op dat de ruimte voor dit mergelelement is ingehakt in het metselwerk. Dus toch later geplaatst? Curieus is dan wel dat de mergel er niet helemaal uit is gehaald toen de versieringen zijn afgevlakt en weggehakt. Op sommige plaatsen is zelfs een baksteenvoeg erin gekrast.Dat heeft natuurlijk alleen maar zin als je van plan bent de hele zaak te witten, en dat is dan ook precies wat er gebeurd is.

Het voegwerk

Alleen is dat witten na een of twee keer weer gestopt, en was de kalk zo verdund dat het oorspronkelijke voegwerk er niet door is aangetast. En dat voegwerk is weer opmerkelijk. Niet zeldzaam, want je komt het in deze streek veelvuldig tegen, zo van eind 16de tot midden 18de eeuw. Dat bestaat dan uit platvol afgesmeerde metselspecie, die bij dat afsmeren bijna de helft van de baksteen bedekt. Daardoor ontstaat een vrij vlak oppervlak. Feitelijk is er dus geen sprake van voegen. Wel wordt er in de nog natte specie een lintvoeg getrokken, die in dit geval weer met lichte rode oker is ingekleurd. En dat is dan voor het hele kasteel zo gedaan!!
Overigens is er bij het aanpassen van de ramen volstrekt tegengesteld aan die secuurheid gehandeld, door de open ruimte botweg vol te stapelen met baksteen.

De brug

Dat de brug, met zijn diverse gemetselde bogen, zeker voor de laatste boog niet authentiek is, was al duidelijk. Kijk maar naar de manier waarop die stomweg tegen het muurwerk en het raam eindigt. Aan beide zijden. Je ziet het ook aan de baksteen: die is jong, midden 19de eeuws.

Een valbrug

De keukenruimte

De kelders, voorzover ze vrijgemaakt zijn, zijn nu ook gepoetst. Dat levert niet alleen een goed beeld van de entree tot de kelders, maar laat ook details zien. Tussen de trapruimte en de drankkelder ligt een keukenruimte, met daarin een pekelbak, en een wasplaats. Die had een kraan, die water kreeg via een loden leiding. Beide bakken zijn gecementeerd. In de vloer loopt een afwateringsgootje, dat naar een gresbuis voert, die uiteindelijk in de gracht afwatert.

De brug verder geïnspecteerd

Inmiddels is de brug vrijgelegd en blijkt nadrukkelijk dat de laatste boog voor het kasteel later gebouwd is. Het muurwerk dat daarvoor oprijst is door zijn hoogte al een aardige indicatie voor een valbrug, maar vertoont aan de kasteelkant het al eerder op muurwerk aangetroffen voegwerk. Het was dus een buitenmuur.
Richting voorplein liggen vervolgens 3 bogen, die alle drie verschillend zijn, en tal van reparaties vertonen. Bovendien blijkt het opgaande muurwerk aan weerszijden te verspringen, wat duidt op een iets andere hoek waaronder de brug naar het kasteel leidde.

Vakwerk!

Een mooi detail levert de grootste boog, waar het oppervlak helemaal is afgedekt met leien. Dat was dan tegen het inwateren van bovenaf. De gebruikte specie is in een goede conditie. Vakwerk!

Een valbrug

En jawel, precies waar de valbrug het kasteel raakte, ter hoogte van de latere, brede deur uit de 18de eeuw, steken nog fragmenten hardsteen uit de muur waarop de brug rustte. Daaronder uitgemetselde beren, compleet met typisch 17de eeuwse ankerijzers. Je kunt de breedte van de brug vrij nauwkeurig bepalen.

De kelder onder het voorplein

De kelder onderzocht

Aan het begin van de consolidering is ons al gewezen op het bestaan van een kelder onder het voorplein, ongeveer ter hoogte van de brug. Hoe je er in kwam wist niemand. Misschien is hij wel volgestort. Gelukkig is er de afgelopen tijd geen mobiele kraan overheen gereden, want dan was de kelder er niet meer geweest. Wel stond er tot vorige week een loeizware container op. Dat dat zo was kun je uitrekenen door bovengronds de maten van de kelder af te passen.
Inmiddels zijn de entrees gevonden. Het zijn er twee: een vanuit de binnenplaats, in de vorm van een gemetselde trap, die eindigt met een hardstenen trede, en de ander onder de brug.
Het merkwaardige van die kelder is verder dat die begint met de aanzet voor een gang naar beide zijden, zonder dat daar een vervolg aan vast zit.
Vervolgens zie je een gedrukt gewelf, dat zeer 18de eeuws aandoet, om niet te zeggen laat 18de eeuws of zelfs nog iets jonger.

Op ongeveer tweederde wordt de kelder gedeeld door een muur waarin een deur zat, die met zijn kozijn, en dus ook zijn scharnierpunt, aan de tegenkant van de trap zat. Dat veronderstelt een andere entree.

Een houten brug

En die is er dan ook: een gebogen gangetje, met een aanzet van een trap, voert naar een muurtje van bijna een meter hoog. Achter dat muurtje kijk je naar de gracht, en krijg je meteen een idee hoe hoog het water maximaal stond. Vandaar dus ook dat muurtje.
Maar het gangetje komt dus wel uit onder de brug, waar nu een boog zit. Er is, mede gezien het naastliggende muurwerk, maar één conclusie mogelijk: de brug bestond op dat moment helemaal uit hout, hoewel de aanlanding aan de binnenplaatskant iets verder richting gracht lag. En daar kon je dus die kelder in.

Dat was misschien de huidige kelder, maar mogelijk ook een voorganger. Daarvan zijn in elk geval sporen te zien in een hoek, in de vorm van opgaand werk in mergel. De hele aanhaking van gewelf, vroeger muurwerk, en de kopse gevel met een bescheiden koekoek vraagt om nader onderzoek.

Mei 2000

Bouwen voor het oog

Welstand met grenzen
De mergelbanden die oorspronkelijk zorgden voor een duidelijke geleding van torens en muren hebben zwaar te lijden gehad van de rond 1800 ingebrachte nieuwe ramen. De meesten zijn domweg doorgebroken. Op de plaats waar de twee naast elkaar liggende zadeldaken van de centrale massa aan de torens raakten werd prompt gestopt met de mergelbanden. Waarom duur doen als toch niemand het ziet?

Nog meer zuinigheid
Op de hoeken van de torens, en aan de uiteinden van de muren zitten mergelblokken met een trapversiering. Wat let je nou om die profilering, hoe simpel ook, over de hele band te laten lopen. Niets toch? Maar helaas, alleen in de hoeken vinden we ze terug. Van de andere kant vormen ze zo wel meteen de duidelijke kraagsteen voor de hoeken van het dak. Maar het algemene beeld is toch dat van ‘bouwen voor het oog’.

De opgravingen gestaakt

Het geld is op…

De kelder in de rechtertoren ligt nu ook open. Gelukkig niet zo open als die aan de andere kant, want hier is nog de gordelboog aanwezig, en een van de aanliggende gewelven. Het lijkt er op dat het gehele kasteel in de 17e eeuw van de grond af opnieuw is opgebouwd.
Frustrerend maar waar: het geld voor de ontgraving is even op, dus we zullen naar verluidt tot september moeten wachten om de rest van de kelders te kunnen bekijken. Daar staat tegenover dat er nu wel steigers gezet kunnen worden, waardoor onze tekenaar Jan Tummers echt aan de slag kan om elk spoor vast te leggen.
Voor Ron Vermeulen van RAAP zit het volgen van de ontgraving er vorlopig even op.

Twee 17e eeuwse geweerlopen

Aan de buitenkant wordt inmiddels druk gewerkt aan het stabiliseren en consolideren van het muurwerk. Dat heeft na ontgraving tot het niveau van de oude waterspiegel en daaronder zwaar te lijden gehad. Anderzijds is de aanliggende grond de borg geweest voor verder uitzakken. Alles wordt zo nauwkeurig mogelijk hersteld, met gebruik van de vrijkomende materialen. Ik ben aangenaam verrast door de kwaliteit van de metselaars. Niks pseudorustiek, gewoon doordacht vakwerk. Voor een bouwhistoricus acceptabel, want leesbaar. Ook voor later. Spectaculaire vondsten zijn er nog steeds niet, of het moeten de twee uit het puin stekende gebogen 17de eeuwse, handgesmede geweerlopen zijn. De volgende keer iets meer over alledaagse vondsten.

Bouwsporen aan het woord

De voordeur
Nu de steigers rond de linkertoren en de aansluitende voorgevel staan is het tijd om eens in detail te bekijken wat daar zoal gebeurd is. Dat levert meteen al een bijstelling van het een en ander op. Duidelijk wordt nu niet alleen de manier waarop het muurwerk oorspronkelijk gevoegd was, maar ook dat er behoorlijk gerommeld is met inboetingen in het metselwerk. De volgende keer eens wat plaatjes naast elkaar zetten.

Ook kan nu goed bekeken worden hoe de diverse raamomlijstingen zijn opgebouwd. En natuurlijk de hoofddeur. De hardstenen omlijsting daarvan, rijk geprofileerd, is feitelijk al geborgen aan het begin van de opgravingswerkzaamheden. Maar nu pas kunnen we ons wagen aan een reconstructie. Met wat zoeken blijkt de hele omlijsting compleet aanwezig. Maar er is meer! In de hoekbloken zitten gehakte openingen, die in een bocht lopen. Daar hebben de touwen of kettingen van de ophaalbrug doorheen gelopen. Dat betekent dat de omlijsting mogelijk toch al uit de bouwtijd in de jaren 60 van de 17de eeuw stamt, en anders bestond de ophaalbrug dus nog toen de deuromlijsting vernieuwd werd. Die omlijsting is zo massief en monumentaal dat het zonde zou zijn hem niet terug te zetten op zijn plaats.

Een voorganger te pakken?

Over deze curieuze vondst ben ik nog niet helemaal uit. De voorgevel heeft aan beide kanten, waar hij aansluit op de muur van de toren, een staande strook in mergel, die bekroont wordt door een iets uitspringende steen die trapsgewijs naar boven smaller wordt. De logica van die steen is er niet, want wat moet je met een geprofileerde steen als daar metselwerk tegenaan ligt? Heeft die mergel iets te maken met de voorganger van de huidige gevel? Was die soms, inclusief de versieringen, helemaal in mergel gebouwd?
Dat zou wel eens kunnen, want aan de andere kant, bij de linker toren, is een half achter de toren schuilgaande opening te zien. Ooit een raampje?

Juni 2000

Het muurwerk nader bekeken

Stuccen voor de warmte

Uit de landelijke bouwkunst is het fenomeen zeer bekend: stuccen met leem. Door te stuccen met leem werd namelijk niet alleen een vlakke ondergrond verkregen voor het afwerken met een kalklaag, maar kreeg men, door voldoende stro of hooi toe te voegen, meteen een isolatielaag. Bij een stuclaag van een centimeter of 5 kwam je zo al in de buurt van wat later met een spouwmuur bereikt werd. Aardig om te zien dat het hier ook gedaan werd.

Het is niet wat je ziet

We hebben al eerder naar het voegwerk gekeken. Nou ja, voegwerk… Het is in eerste instantie metselen met een overmaat aan specie, die dan ok nog eens vrij slap is en dus tussen de stenen uitloopt. Als je dat dan meteen vlak afveegt, egaliseer je de ongelijke veldbrandsteen. Alleen moet je dan wel nog de voegen aangeven, als je die tenminste wil zien. Dat kan door een zogenaamd dagstreepje te trekken, maar ook door de specie met een hol voegijzer op te werken. Dat laatste is hier gebeurd, alleen wel met de aantekening, dat we het hier hebben over een campagne waarbij even daarvoor een laagje natte kalk op de specie is aangebracht.
Tot nu toe is duidelijk geworden dat het oorspronkelijke afwerklaagje van het kasteel bestond uit de afgestreken specie, waarin de voeg getrokken is met een dagstreep -een hol voegje dus- waarna de specie rood gekleurd is, en de voeg zich alleen aftekende door z’n profiel.
Het kan nog duurder, zoals bij kasteel Geusselt bij Maastricht gebeurd, waar alle voegen met de hand wit werden gemaakt. Kwestie van een dikke geldbuidel.

Schoonheid op de vierkante centimeter

Dit krijg je te zien als je op de steiger klimt: een muur die ooit vrij vlak was door het afstrijken van de specie; die vervolgens rood werd geschilderd; daarna gewit werd; toen voorzien werd van een nieuwe laag voegspecie; waarin vervolgens een voegje gesneden werd. In de specie werden scherfjes glas verwerkt; dat doet het goed in de zon.

En dan de grove variant

Nadat de mergelversieringen uit de gevels gebroken waren werden de openingen volgemetseld. Niet keurig in verband, niet eens in de lijn van de bestaande voeg.
En dus zat er niets anders op dan de hele zaak te witten, een soort camoeflagetechniek.
Totdat ook die oplossing niet meer voldeed, aangezien er weer wat meer welstand nagestreefd werd. Om het probleem van de ongelijke naden weg te werken werd de zaak weer eens gevoegd, waarna de voegen op de grijzige specie geschilderd werden, in rode oker, dwars over de stenen heen. Toen dat weer verbleekt was is de voeg nog een keer nagetrokken met een witte voegspecie. Dat kon niet anders dan door hem er op te leggen.